Neosporose
Belangrijke oorzaak verwerpen
Uit onderzoek van verworpen kalveren weten we dat Neospora caninum één van de belangrijkste oorzaken van verwerpen bij koeien is.
Neospora caninum is een eencellige parasiet die in 1984 voor het eerst bij een hond werd onderkend. Dit verklaart de toevoeging ‘caninum’ (Latijn voor hond).
Een infectie met Neospora leidt niet tot ziekteverschijnselen bij de koeien. Wel kan de parasiet door weefselbeschadiging de dood van de
ongeboren vrucht veroorzaken. In een vroeg stadium van de dracht kan dit onopgemerkt blijven. Dit komt vooral bij pinken voor. Als de
vrucht op een leeftijd van drie tot vier maanden sterft, kan deze verdrogen of mummificeren en vaak pas maanden later worden afgezet. Als
de vrucht na de vierde maand van de dracht sterft, treedt vrijwel altijd binnen 48 uur abortus op.
Diagnose
Neospora veroorzaakt bij de vrucht karakteristieke weefselafwijkingen, zodat door middel van microscopisch onderzoek de diagnose kan
worden gesteld. Met behulp van kweek en virusonderzoek kunnen andere besmettelijke oorzaken van abortus worden uitgesloten. Als op uw
bedrijf regelmatig koeien verwerpen, adviseren wij u verworpen vruchten bij de GD te laten onderzoeken. Bloedonderzoek van het moederdier kan
de diagnose ondersteunen.
Veel bedrijven besmet
Uit onderzoek op honderd melkveebedrijven bleek dat op 78% van de bedrijven een Neospora-infectie aanwezig was
(gemiddeld bij 14% van de koeien). Een infectie leidt lang niet altijd tot het afsterven van de vrucht. Wel vindt bij 80% van de besmette koeien
overdracht van de infectie op de nakomelingen plaats. Deze besmette kalveren zijn overigens gezond, maar blijven levenslang besmet en kunnen
op hun beurt de infectie op hun nakomelingen overdragen. Besmette koeien hebben twee tot drie keer zo grote kans op abortus als onbesmette dieren.
Uit onderzoek op bedrijven met een abortusstorm bleek dat in een aantal gevallen niet een recente Neospora-infectie hiervan de oorzaak was, maar een
opleving van een al aanwezige infectie. De meeste abortusstormen vonden plaats in de zomer of nazomer. Er werden aanwijzingen gevonden dat het
voeren van beschimmelde maiskuil in de zomer en een minder goede kwaliteit van het gras in de nazomer een rol kunnen hebben gespeeld via een
weerstandvermindering van de koeien. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat op sommige bedrijven er wel degelijk sprake was van een
nieuwe Neospora infectie bij de koeien die verwierpen. Dit bleek vooral uit een analyse van de moeder-dochter relaties met betrekking tot de aanwezigheid
van antistoffen tegen Neospora in het bloed. Het kwam voor dat besmette verwerpers negatieve moeders hadden of eerder negatieve nakomelingen hadden
gehad. In dat laatste geval moet de besmetting opgetreden zijn na de geboorte van de laatste negatieve nakomeling.
Besmettingswegen
Behandeling van besmette koeien is niet mogelijk. De nadruk van de bestrijding ligt dan ook op het voorkomen van de besmetting. De verticale
overdracht (van koe op kalf) is de belangrijkste besmettingsweg. De enige mogelijkheid om de besmettingsgraad van de veestapel terug te dringen, is
door besmette dieren uit te selecteren, te beginnen bij de kalveren. Voor het aantonen van antistoffen tegen Neospora heeft de GD een gevoelige bloedtest
ontwikkeld. Naast de verticale overdracht is er ook een horizontale infectieweg. Reeds lang werd vermoed dat hierbij een andere diersoort een rol speelt.
Uit GD-onderzoek bleek dat de aanwezigheid van honden op het bedrijf een risicofactor vormt. In Amerika is aangetoond dat de hond als eindgastheer
van de parasiet kan optreden en dat honden besmettelijke stadia van de parasiet (oöcysten) kunnen uitscheiden met de ontlasting. Recent onderzoek bij
de GD heeft aangetoond dat de nageboorte van Neospora positieve koeien een belangrijke besmettingsbron voor de hond vormen. Wij adviseren dan
ook om te voorkomen dat honden nageboorte eten. Honden mogen geen toegang hebben tot de afkalfstal. Verder is het verstandig te voorkomen dat
honden hun behoefte doen in het voer van het rundvee.
Neospora caninum is een van de belangrijkste veroorzakers van verwerpen bij koeien. Dierenartspatholoog Willem Wouda van de GD heeft hier de
afgelopen jaren uitgebreid onderzoek naar gedaan. Hoewel nog niet alles bekend is, geeft zijn promotieonderzoek meer duidelijkheid over deze abortusverwekker.
De hond werd al geruime tijd gezien als belangrijke schakel in de besmettingsroute van Neospora. Uit recent onderzoek door de GD en de
Faculteit Diergeneeskunde is gebleken dat nageboorte van neospora-positieve koeien een belangrijke besmettingsbron voor de hond vormen.
Oorzaak van verwerpen
Neosporose is één van de belangrijkste oorzaken van verwerpen bij koeien.
Een besmetting met de eencellige parasiet Neospora caninum veroorzaakt abortus, steenvruchten en onregelmatige terugkomers. Overdracht van
moeder op kalf is de belangrijkste besmettingsbron. Besmettingen kunnen echter ook plaatsvinden via honden. Dit was al gebleken uit eerder onderzoek
door de GD. Hoe dit precies in zijn werk ging, was echter niet bekend. Recent GD-onderzoek heeft hierin meer duidelijkheid gebracht.
Onderzoek op probleembedrijven
Op veel bedrijven met abortusproblemen door neosporose bleek tot anderhalf jaar voor de uitbraak een nieuwe hond op het bedrijf te zijn gekomen.
Dit betrof zowel oudere honden als puppies (al dan niet op het bedrijf geboren). In alle gevallen hadden de honden contact met de koeien. Ook bleek
dat honden op deze bedrijven vaker nageboorte aten en biest kregen dan op bedrijven zonder problemen met neosporose.
Rol van de hond
Om te onderzoeken of de besmetting van honden via biest of de nageboorte verloopt is een proef met vijf jonge hondjes uitgevoerd. Deze dieren waren
vrij van Neospora. Twee honden kregen nageboorte-materiaal van koeien met neosporose te eten. Twee dieren kregen biest van koeien die besmet
waren met neosporose. Het vijfde dier gold als controledier.
Uit deze proef blijkt dat het eten van een kleine hoeveelheid nageboorte (50 gram) geen reactie oplevert bij de hond. Het eten van een grote hoeveelheid
nageboorte (500 gram) leidt tot het uitscheiden van oöcysten (‘eitjes’) in de ontlasting, ongeveer 10 tot 30 dagen nadien. Het opnieuw voeren van
nageboorte leidt niet opnieuw tot het uitscheiden van oöcysten. Uit bloedonderzoek kon de besmetting niet worden vastgesteld. Het eten van besmette
biest leidt niet tot het uitscheiden van oöcysten.
Cyclus van Neospora
Uit dit onderzoek kan de levenscyclus van Neospora caninum verder worden ingevuld: de hond eet besmet materiaal (zoals nageboorte). De parasiet
plant zich voort in de hond, wat resulteert in oöcysten in de ontlasting gedurende een beperkte periode. De oöcysten komen via de hondenuitwerpselen
in het voer van de koeien terecht en worden door de koe opgenomen. Binnen de koe kan de parasiet zich ongeslachtelijk vermenigvuldigen. De koe scheidt
geen oöcysten uit via de mest, maar kan wel haar ongeboren kalf besmetten.
Dit kalf kan te zijner tijd ook weer haar ongeboren kalf besmetten. De nageboorte van besmette koeien bevat wel Neospora caninum, waarmee een andere
hond zich weer kan besmetten.
De hond op het bedrijf
Op een bedrijf met een geschiedenis van Neospora dient de veehouder extra voorzichtig te zijn bij de aanschaf van een nieuwe hond of de geboorte
van puppies. De overgebleven besmette koeien kunnen de hond besmetten en deze kan op zijn beurt weer koeien (of jongvee) besmetten, zodat een
abortusstorm kan plaatsvinden.
Bloedonderzoek van de hond heeft geen zin. Een dier waarbij antistoffen op Neospora worden aangetroffen, heeft waarschijnlijk al lang geleden een
besmetting doorgemaakt. Onze belangrijkste adviezen zijn: laat de hond nooit in contact komen met de nageboorte van de koeien. Voorkom dus dat de
hond in de afkalfstal of op de roosters komt. Leer de hond op één vaste plaats z’n ontlasting te doen, zodat het niet in het voer van het rundvee komt.
Neospora-onderzoek
Het promotieonderzoek van Willem Wouda uit 1998 bracht veel inzicht in deze ziekteverwekker. Het neospora-onderzoek bij de GD staat op dit
moment onder leiding van Thomas Dijkstra. In samenwerking met de afdeling Parasitologie van de Faculteit Diergeneeskunde en een gerenommeerd
Duits onderzoeksinstituut zijn al verschillende goede resultaten geboekt. Nu de rol van de hond is vastgelegd zal het onderzoek zich verder richten op
het verloop van de infectie. Daarnaast komen de relaties met melkgift en reproductie aan bod. |